Onvoltooid verleden tijd (Präteritum) — De Schrijftaal 📜✍️
Het Präteritum wordt vooral gebruikt in formele teksten, nieuwsberichten en literatuur. Er zijn echter belangrijke uitzonderingen: de werkwoorden sein (war), haben (hatte) en de modale werkwoorden worden ook in het dagelijks leven vaak in het Präteritum gebruikt.

Het Präteritum is de tijd voor verhalenvertellers. Je zult deze vorm vooral tegenkomen in boeken, kranten en sprookjes.
"Es war einmal eine Prinzessin..." (Er was eens een prinses...).
In gesproken Duits gebruiken we deze tijd zelden.
UITZONDERING: Voor de werkwoorden Sein, Haben en de modale werkwoorden (kunnen, moeten, etc.) gebruiken we het Präteritum wél in de spreektaal!
1. De regelmatige werkwoorden (Het "-te" leger) 🤖🇳🇱
Voor regelmatige werkwoorden (machen, sagen, spielen) voegen we de uitgang -te toe. Dit lijkt erg op onze uitgang -te of -de.
| Persoon | Uitgang | Voorbeeld (sagen) | Vertaling |
|---|---|---|---|
| ich | -te | ich sagte | ik zei(de) |
| du | -test | du sagtest | jij zei(de) |
| er/sie/es | -te | er sagte | hij zei(de) |
| wir | -ten | wir sagten | wij zeiden |
| ihr | -tet | ihr sagtet | jullie zeiden |
| sie/Sie | -ten | sie sagten | zij/u zeiden |
[!NOTE]
Voorbeelden:
- Ich machte das Fenster op. (Ik maakte het raam open).
- Wir spielten Fußball. (Wij speelden voetbal).
2. De onregelmatige werkwoorden (Klinkerwissel) 🧟♂️🇳🇱
Sterke werkwoorden veranderen van klinker en gebruiken geen "-te". Ze veranderen de stam en voegen persoonlijke uitgangen toe (behalve bij de 1e en 3e persoon enkelvoud). Dit werkt ook weer precies zoals in het Nederlands!
- gehen ➔ ging (ging)
- sehen ➔ sah (zag)
- kommen ➔ kam (kwam)
| Persoon | Voorbeeld (gehen ➔ ging) | Vertaling |
|---|---|---|
| ich | ich ging | ik ging |
| du | du gingst | jij ging |
| er/sie/es | er ging | hij ging |
| wir | wir gingen | wij gingen |
| ihr | ihr gingt | jullie gingen |
| sie/Sie | sie gingen | zij/u gingen |
3. De Essentiële vormen: Sein, Haben, Modalen 🚨🇳🇱
Zelfs als je een hekel hebt aan deze tijd, MOET je deze vier uit je hoofd leren. We gebruiken ze namelijk ook gewoon in de spreektaal.
| Persoon | Sein (was) | Haben (had) | Können (kon) | Müssen (moest) |
|---|---|---|---|---|
| ich | war | hatte | konnte | musste |
| du | warst | hattest | konntest | musstest |
| er/sie | war | hatte | konnte | musste |
| wir | waren | hatten | konnten | mussten |
- Ich war gestern krank. (Ik was gisteren ziek). Dit klinkt veel natuurlijker dan Ich bin krank gewesen.
- Ich hatte keine Zeit. (Ik had geen tijd).
Zie ook...
- Voltooid tegenwoordige tijd (Perfekt) — De gesproken verleden tijd.
- Modale werkwoorden — Voor de tegenwoordige tijd vormen.