Tegenwoordige tijd — De Basis 🦕
De tegenwoordige tijd wordt gevormd door de uitgang '-en' of '-n' van het hele werkwoord te halen om de stam te vinden, en vervolgens de persoonlijke uitgangen toe te voegen: -e, -st, -t, -en, -t, -en. Het wordt gebruikt voor acties die nu plaatsvinden en voor geplande toekomstige gebeurtenissen.

De Präsens (tegenwoordige tijd) is het werkpaard van de Duitse taal. Je gebruikt het voor:
- Feiten (Ich heiße Jan).
- Huidige acties (Ich esse eine Pizza).
- De toekomst (Morgen fliege ich nach Berlin).
De uitgangen (E-ST-T-EN-T-EN) 🧩🇳🇱
Om een regelmatig werkwoord (zoals machen - maken) te vervoegen, haal je de uitgang -en van het hele werkwoord af en plak je de juiste uitgang erachter. Dit lijkt heel erg op het Nederlands!
| Persoon | Uitgang | Voorbeeld (machen) | Vertaling |
|---|---|---|---|
| ich | -e | ich mache | ik maak |
| du | -st | du machst | jij maakt |
| er/sie/es | -t | er macht | hij/zij/het maakt |
| wir | -en | wir machen | wij maken |
| ihr | -t | ihr macht | jullie maken |
| sie/Sie | -en | sie machen | zij maken / u maakt |
[!TIP]
Verschillen met NL:
- In de ich-vorm krijgt het Duits altijd een -e (ich mache), terwijl wij dat niet doen (ik maak).
- In de du-vorm krijgt het Duits -st (du machst), waar wij een -t gebruiken (jij maakt).
- Wir en sie (meervoud) zijn altijd hetzelfde als het hele werkwoord!
Onregelmatige werkwoorden (Klinkerwissel) 💔🇳🇱
Sommige sterke werkwoorden veranderen van klinker in de kern, maar ALLEEN bij Du en Er/Sie/Es. De uitgangen blijven wel hetzelfde!
Type 1: e ➔ ie / i
- Sehen (zien):
- Ich sehe
- Du siehst (jij ziet)
- Er sieht (hij ziet)
- Geben (geven):
- Du gibst, Er gibt.
Type 2: a ➔ ä
- Fahren (rijden):
- Ich fahre
- Du fährst
- Er fährt
- Schlafen (slapen):
- Du schläfst.
De super-onregelmatigen: Sein & Haben 👑
Deze moet je gewoon uit je hoofd leren, net als in het Nederlands.
| Persoon | Sein (zijn) | Haben (hebben) |
|---|---|---|
| ich | bin (ben) | habe (heb) |
| du | bist (bent) | hast (hebt) |
| er/sie/es | ist (is) | hat (heeft) |
| wir | sind (zijn) | haben (hebben) |
| ihr | seid (zijn) | habt (hebben) |
| sie/Sie | sind (zijn) | haben (hebben) |
Veelgemaakte fouten ⚠️
- ❌ "Ik ben aan het...": Probeer niet letterlijk te vertalen vanuit het Nederlands of Engels. "Ik ben aan het maken" of "I am making" is in het Duits gewoon Ich mache.
- ❌ De Umlaut vergeten: Du fahrst (Fout!) -> Du fährst.
Zie ook...
- Modale werkwoorden — Kunnen, moeten, willen.
- Voltooid tegenwoordige tijd — Praten over het verleden.