A2

Onbepaalde voornaamwoorden — Vaag blijven ☁️🤷

Onbepaalde voornaamwoorden verwijzen naar vage personen, dingen of hoeveelheden (iemand, niets, men). Veelvoorkomende voorbeelden zijn jemand, niemand, etwas en alles.

Infografiek met uitleg over de Duitse onbepaalde voornaamwoorden zoals jemand (iemand) en niemand (niemand).

Soms weet je niet WIE het gedaan heeft. Of je wilt algemeen blijven.
"Iemand heeft de taart opgegeten." "Niemand weet het."

De Grote Vier 🍀

1. Jemand (Iemand) / Niemand (Niemand)

Gebruikt voor mensen.

  • Ist hier jemand? (Is hier iemand?)
  • Hier ist niemand. (Hier is niemand).

Ze kunnen uitgangen krijgen (Jemanden, Niemandem), maar in gesproken Duits laten we die vaak weg.

  • Ich sehe niemanden. (Accusatief: Ik zie niemand).

2. Etwas (Iets) / Nichts (Niets)

Gebruikt voor dingen. Ze veranderen NOOIT van vorm.

  • Ich möchte etwas essen. (Ik wil iets eten).
  • Ich habe nichts gemacht. (Ik heb niets gedaan).

3. Man (Men / Je)

De algemene "men" of "mensen in het algemeen". In het Nederlands gebruiken we vaak "je" in deze situaties.

  • Man darf hier nicht rauchen. (Men mag hier niet roken / Je mag hier niet roken).
  • Was kann man hier machen? (Wat kan men hier doen?)

[!CAUTION]
Man vs Mann

  • *Der Mann* (De man) = Mannelijk mens. 👨 (Met hoofdletter).
  • man (men) = Algemeen voornaamwoord. 🤷 (Kleine letter).
    De uitspraak is identiek! De context en de spelling vertellen je het verschil.

4. Einer / Keiner (Eentje / Geen)

Gebruikt om te verwijzen naar telbare zelfstandige naamwoorden zonder ze te herhalen.

  • Hast du einen Stift? (Heb je een pen?)
  • Nein, ich habe keinen. (Nee, ik heb er geen).
  • Ja, hier ist einer. (Ja, hier is er eentje).

Let op hoe ze het geslacht van "Stift" (Mannelijk) overnemen!

  • Hast du eine Tasche? (Vrouwelijk) -> Ich habe keine.

Samenvattende tabel

Wat? Voornaamwoorden
Mensen jemand, niemand, man, einer
Dingen etwas, nichts, alles, welches

Verdieping: Alles vs Alle 🌌

  • Alles: Alles (enkelvoudig concept). Alles ist gut.

  • Alle: Iedereen / Allemaal (meervoud, mensen). Alle sind hier.

  • Ganz: Heel / Gehele. Der ganze Kuchen. (De hele taart).

  • Jeder: Iedere / Elk (enkelvoud). Jeder Student.

Valkuilen:

  • Alle mensen -> Alle.
  • Hele dag -> Der ganze Tag. (Niet Alle Tag).
  • Elke dag -> Jeden Tag.

Zie ook...