Betrekkelijke bijzinnen — De Details 🧬🇳🇱
Betrekkelijke bijzinnen beginnen met een betrekkelijk voornaamwoord (der, die, das) dat terugverwijst naar een naamwoord in de hoofdzin. Net als alle bijzinnen schoppen ze het werkwoord naar het einde. Het voornaamwoord moet qua geslacht en getal overeenkomen met het woord dat het beschrijft.

We gebruiken betrekkelijke bijzinnen om een zelfstandig naamwoord preciezer te beschrijven zonder een nieuwe zin te beginnen.
- "De man die een hoed draagt."
In het Duits is dit een bijzin -> dus het werkwoord moet naar het EINDE!
De Formule 🧪🇳🇱
Hoofdzin + Komma + Betrekkelijk voornaamwoord + ... + Werkwoord.
- Das ist der Mann, der den Hut trägt. (Dat is de man die de hoed draagt).
- Das ist das Auto, das ich kaufen will. (Dat is de auto die ik kopen wil).
Het juiste voornaamwoord kiezen
Je moet hiervoor de tabel met Betrekkelijke voornaamwoorden kennen.
- Geslacht: Moet hetzelfde zijn als het woord waar je naar verwijst.
- Naamval: Wordt bepaald door de rol in de bijzin.
Voorbeeld
Der Hund, ... ich sehe. (De hond die ik zie).
- Referentie: Der Hund (Mannelijk).
- Rol: Ik zie ... HEM. (Lijdend voorwerp / Accusatief).
- Mannelijk + Accusatief = den.
Der Hund, den ich sehe...
Voorzetsels in betrekkelijke bijzinnen 🇳🇱
Als het werkwoord een voorzetsel nodig heeft, verhuist dit mee.
- Das ist die Frau, mit der ich gesprochen habe. (Dat is de vrouw met wie ik gesproken heb).
- Das ist der Stuhl, auf dem ich sitze. (Dat is de stoel waarop ik zit).
Ingesloten zinnen 🕸️🇳🇱
Duitsers houden ervan om betrekkelijke bijzinnen middenin een andere zin te plaatsen. Dit doen wij in het Nederlands ook heel vaak.
- Der Mann, [der dort steht], ist mein Vater.
- (De man, [die daar staat], is mijn vader).
De hoofdzin (Der Mann ist mein Vater) wordt even gepauzeerd voor de extra informatie.
Zie ook...
- Betrekkelijke voornaamwoorden — De volledige tabel.
- Woordvolgorde — De basisregels.