A2

Dativ (3e Naamval) — De Ontvanger 🎁

De Dativ markeert het meewerkend voorwerp—de persoon voor wie een actie wordt uitgevoerd. Alle lidwoorden veranderen in de Dativ: mannelijk en onzijdig worden dem/einem, vrouwelijk wordt der/einer, en meervoud wordt den (plus een extra '-n' aan het woord vast).

Infographic die de Duitse Dativ (meewerkend voorwerp) laat zien en de veranderingen in lidwoorden en voornaamwoorden uitlegt.

Als de Akkusativ het ding is dat beweegt, dan is de Dativ de persoon die het ontvangt. Het geeft antwoord op de vraag: Aan wie? of Voor wie?

  • Ich gebe dem Mann den Apfel. (Ik geef [aan] de man de appel).
    • Ich = Onderwerp (Nominatief)
    • den Apfel = Lijdend voorwerp (Akkusativ)
    • dem Mann = Meewerkend voorwerp (Dativ). Hij is de ontvanger.

De veranderingen 🔵🇳🇱

De Dativ verandert alles. Je kunt de Dativ over het algemeen onthouden als de "M"-naamval (voor mannelijk en onzijdig).

Geslacht Bepaald (De/Het) Onbepaald (Een) Voornaamwoord
Mannelijk dem Mann einem Mann ihm (hem)
Vrouwelijk der Frau einer Frau ihr (haar)
Onzijdig dem Kind einem Kind ihm (hem/het)
Meervoud den Kindern - Kindern ihnen (hen)

[!WARNING]
Pas op!

  1. Heb je het vrouwelijke rijtje gezien? Die wordt Der! Ja, dat ziet eruit als de mannelijke vorm, maar het is echt de 3e naamval vrouwelijk.
    • Ich helfe der Frau. (Ik help de vrouw).
  2. De Meervouds-N: In de 3e naamval meervoud krijgt het zelfstandig naamwoord een extra -n aan het einde!
    • Nominatief: Die Kinder.
    • Dativ: Mit den Kindern. (Dit voelt voor Nederlanders vaak natuurlijk aan).

Wanneer gebruik ik het?

1. Meewerkend voorwerp (Geven, sturen, tonen)

Werkwoorden waarbij iets van eigenaar wisselt, hebben vaak beide naamvallen.

  • geben, schenken, schicken, zeigen, bringen...
  • Er schenkt ihr (Dat) einen Ring (Acc).

2. Vaste Dativ-werkwoorden

Sommige werkwoorden zijn "egoïstisch" en slaan de 4e naamval over. Ze werken direct met de persoon.

  • Helfen (helpen): Ich helfe dir. (Niet dich!)
  • Danken (danken/bedanken): Ich danke ihnen.
  • Folgen (volgen)
  • Gefallen (bevallen/leuk vinden)

3. Voorzetsels met de 3e naamval

Deze woorden eisen ALTIJD de Dativ.

  • aus, bei, mit, nach, seit, von, zu (+ gegenüber)

Voorbeeld: Ich spreche mit der Frau. (Ik spreek met de vrouw).

Woordvolgorde: De gouden regel 🥇🇳🇱

Als je BEIDE voorwerpen in een zin hebt staan, wie komt er dan eerst? In het Duits (en meestal ook in het Nederlands) komt de Dativ vóór de Akkusativ.

  • Ich gebe dem Mann (Dat) den Apfel (Acc).
  • (Ik geef de man de appel).

Zie ook...

🎯

Klaar om te oefenen?

Practice your case endings now!

Start quiz