Uniform

noun
uniform
B1

Uniform (die) betekent ‘uniform’ of ‘dienstkleding’. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: genitief enkelvoud der Uniform, meervoud Uniformen, datief meervoud den Uniformen. Het meervoud is regelmatig met -en. Veel gebruikt bij leger, politie en school.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Der Vorgesetzte gab der neuen Mitarbeiterin die Uniform, nachdem sie die Einführungswoche erfolgreich absolvierte.
De leidinggevende gaf de nieuwe medewerkster het uniform nadat zij de introductieweek met succes had afgerond.
Die Uniform der Feuerwehrleute ist rot und gelb.
Het uniform van de brandweerlieden is rood en geel.
Ich trage eine Uniform.
Ik draag een uniform.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALUniformen

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativedie Uniformdie Uniformen
genitiveder Uniformder Uniformen
dativeder Uniformden Uniformen
accusativedie Uniformdie Uniformen

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een rij mensen voor die allemaal dezelfde outfit dragen.
👂Klinkt als het Nederlandse «uniform».
⚧️Woorden op -form / leenwoorden kunnen hier vrouwelijk zijn: dit is «die» (die Uniform). Ook zijn veel -ung-woorden vrouwelijk.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Vrouwelijk zelfstandig naamwoord. Meervoud meestal «Uniformen» of soms «Uniforms» in informele taal.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS