noun
ongeluk, pech
B1
Unglück is een onzijdig zelfstandig naamwoord: ‘ongeluk’, ‘pech’ of ‘ramp’. Meervoud: Unglücke. Genitief enkelvoud: des Unglücks; datief meervoud: den Unglücken. Het kan een tragische gebeurtenis of een ongeluk aanduiden. Vaak in de uitdrukking zum Unglück.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das war ein großes Unglück für die Familie.
Dat was een groot ongeluk voor het gezin.
Nach dem Unglück am Hafen nahm die Polizei die Ermittlungen auf, weil mehrere Menschen verletzt wurden und Zeugen Auskunft gaben.
Na het ongeluk in de haven begon de politie met het onderzoek, omdat meerdere mensen gewond raakten en getuigen verklaringen aflegden.
Er hatte gestern ein Unglück auf der Autobahn.
Hij had gisteren een ongeluk op de snelweg.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een gebroken klavertjevier voor als symbool van verloren geluk.
un-luck — zoals Engels „bad luck”, wat helpt onthouden dat Unglück = ongeluk/pech.
Denk aan een neutrale (das) doos met ongelukkige dingen — „das” is onzijdig.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Unglück kan zowel een ongeluk als een ongeluk/tegenslag betekenen. De genitief is vaak „des Unglücks”.