verb
voldoende zijn, volstaan
B1
ausreichen betekent „voldoende zijn” of „genoeg zijn”. Het is een scheidbaar werkwoord: Das reicht nicht aus. Het vormt het perfectum met haben en het voltooid deelwoord is ausgereicht. Vaak met datief of met für.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das Geld reichte nicht aus.
Er was niet genoeg geld.
Das Essen reicht für alle aus.
Er is genoeg eten voor iedereen.
Das Geld reicht nicht aus, um die Rechnung zu bezahlen.
Het geld is niet genoeg om de rekening te betalen.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een maatbeker voor: als hij vol is, ‘reikt’ hij tot aan de markering — die beker ‘ausreicht’ (is voldoende).
klinkt als ‘house + reach in’ — stel je voor dat je van buitenaf reikt: ‘aus-reichen’
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
ausreichen is een scheidbaar werkwoord (voorvoegsel aus-). Passieve vormen zijn zeldzaam, omdat het werkwoord meestal onovergankelijk is in de betekenis ‘voldoende zijn’. Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.