verb
uit zijn, uitgeschakeld zijn
A1
aus sein betekent ‘uit zijn’ of ‘uitgeschakeld zijn’, en ook ‘niet aanwezig / niet beschikbaar zijn’. Het staat meestal als naamwoordelijk deel van het gezegde: Die Lampe ist aus. Perfekt met sein: aus gewesen. Niet scheidbaar, niet wederkerig en zonder vast voorzetsel.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das Licht ist aus.
Het licht is uit.
Nachdem die Sicherheitskontrolle beendet worden war, war die Beleuchtung im Saal aus, sodass die Reinigung begonnen werden konnte.
Nadat de veiligheidscontrole was beëindigd, was de verlichting in de zaal uit, zodat met schoonmaken kon worden begonnen.
Der Laden ist heute aus.
De winkel is vandaag gesloten.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
een uitgeschakelde lamp met een donkere gloeilamp om te onthouden dat «aus sein» = uit zijn
denk aan ‘out’ + ‘sein’ dat klinkt als ‘sign’ — iets is ‘out’ (werkt niet)
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
«aus sein» gedraagt zich als een predicaat met «sein»; het perfectum wordt vaak met «sein» gevormd (bijvoorbeeld: Das Licht ist aus gewesen). Intransitief predicaat; passieve vormen zijn niet van toepassing. Imperatief en tegenwoordig deelwoord zijn niet van toepassing op deze predicatieve constructie en zijn gemarkeerd als ‘niet van toepassing’.